SMart BE
directe toegang tot de inhoud directe toegang tot de navigatie

De toekomst draait om een heel nieuwe vraag: hoe terug een groter collectief smeden, en wel om ieders individueel belang juist te versterken? De antwoorden blijven vandaag vaak nog voorzichtige oefeningen, maar een culturele coöperatie is er zeker één van. Wat valt er dan precies bij te winnen?

‘Er is geen smeriger vorm van zelfvernedering en zelfvernietiging dan uw verstand te onderwerpen aan het verstand van een ander.’ Zo spreekt John Galt, messias van het vrije ondernemerschap, in Atlas Shrugged, de vuistdikke roman van Ayn Rand uit 1957. Galt verkondigt zijn geloof in de almacht van het ego tijdens een radio-speech die maar liefst 100 pagina’s beslaat. Door zijn mond muntte Rand de essentials van het latere neoliberalisme: eigen verdienste boven herverdeling, individuele wilskracht boven algemeen belang, en egoïsme als dé motor van de economie. Je kan daar als gezonde Europeaan vragen bij hebben, maar in Amerika schopte Atlas Shrugged het wel tot meest verkochte boek na de Bijbel. Die populariteit zegt iets over een tijdperk: het tijdperk waarin alles en iedereen beter zou worden door zichzelf te onderscheiden van anderen. Dit geloof schraagde het concurrentiemodel van het kapitalisme, het verdienmodel van het consumentisme en het verdienstenmodel van het postfordisme: be the best, fuck the rest. Het alternatief heette dus ‘zelfvernedering’.

Al wordt dit tijdperk nog steeds ten volle verlengd op politiek niveau – het volstaat om de houding van de EU tegenover Griekenland in herinnering te brengen – toch lijkt het steeds meer te barsten en te kraken. De netwerkfilosofie van internet en sociale media legde de basis voor een nieuw tijdperk, en de economische crisis sinds 2008 en 2011 versnelt dat proces alleen maar. Eén voor één poppen de signalen op van iets nieuws: burgerbewegingen als Hart boven Hard, het succes van Wikipedia, de groeicurve van peer-to-peer, een app als Peerby (check it!), het idee van autodelen, alternatieve munten in Griekenland, stadslandbouw in Detroit op de ruïnes van de fordistische auto-industrie, … Diep onder het politieke niveau krijgt een heel ander geloof dan het neoliberalisme vorm: verbinding en samenwerking als de voorwaarde voor autonomie, in plaats van als een rem erop. John Galt zou er raar van staan te kijken: ondernemerschap in groep, vertrouwen op het verstand van het collectief, ontvoogding door samenwerking? Dat is inderdaad de switch die we zien, John!

Die kanteling gebeurt eerst en vooral ideologisch, door nieuwe invullingen van oude waarden als solidariteit (het basisinkomen?), werklust (de 30-urenweek?) of herverdeling (de miljonairstax?). Klinisch psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe biedt er in zijn boek Autoriteit ook een sociale en mentale onderbouw voor: hij maakt autoriteit los van de patriarchale dwang van één hogere macht, en herdefinieert het als ‘collectief verleend gezag’, als een groepsproces, als een horizontale bemiddeling. Maar de ware kanteling is dat dit idee ook economische vertalingen begint te krijgen, in de praktijk van alledag. Persoonlijk bezit verschuift naar gedeeld verhuur, circulaire economie wint terrein op de afvalindustrie, lange geglobaliseerde productiekettingen langs allerlei prijsverhogende intermediairen wisselen voor directe en vaak veel lokalere uitwisseling. In Zwitserland maakt de eigen alternatieve munt van de coöperatieve WIR Bank intussen ruim 60.000 kmo’s minder afhankelijk van crises in de wereldeconomie, en in Bristol laat de burgemeester zijn loon uitbetalen in Bristol Pound, een eigen munt die de lokale economie helpt bevorderen. Gaan dit soort marge-experimenten straks de kern uitmaken van de economie van de eenentwintigste eeuw?

Allemaal baas

Veruit het meest beproefde recept van deze nieuwe economische filosofie van ‘samen sterker’ is zeker de coöperatieve. Het idee dat de participanten tegelijk de eigenaars zijn van hun economische organisatie, is op zich al eeuwenoud, maar de jongste tijd is de coöperatie aan een sterke opmars bezig. Tussen 2001 en 2011 steeg het aantal Belgische coöperaties van 30.000 naar 40.000. Was ze voor vele oprichters ervan lang vooral een passende juridische structuur, dan wordt er nu steeds vaker voor gekozen vanuit een veel breder waardenkader. De coöperatie geldt vandaag als hét alternatief voor piramidale machtsstructuren waarin kapitaalkrachtige aandeelhouders enkel participeren met eigen winstoogmerk, soms zelfs ten koste van de onderneming en haar werknemers zelf. Behalve solidariteit en samenwerking gelden nu vooral inspraak en zelfbestuur als de voornaamste waarden om voor een coöperatie te kiezen. ‘Het bedrijf is van ons’, zo stelt een arbeider bij de Baskische koepelcoöperatie Mondragón in de filmdocumentaire Shift Change (2012). ‘We hebben geen baas zoals in andere bedrijven. Wij zijn allemaal baas.’

In België kunnen we daar wel eens meewarig over doen, en lijkt de coöperatieve nog een alternatief in de marge. Maar wereldwijd voorzien coöperaties ruim honderd miljoen jobs, 20% meer dan multinationals. Er zijn ook meer wereldburgers die investeren in coöperaties dan dat er beleggen op de beurs: in de VS en Canada is bijna één op drie burgers coöperant, in Noorwegen bezitten consumentencoöperaties 25% van de consumentenmarkt. Het succes van dit model? Coöperaties verzoenen maatschappelijke aandachtspunten die we onder het neoliberale marktdenken als tegenstellingen zijn gaan beschouwen: economie en democratie, financiële en sociale winst, het belang van het individu en het belang van de groep. Het betrokken kapitaal staat ten dienste van de mensen in en rond de onderneming, en niet andersom. Verenigd realiseren coöperanten voordelen die ze apart niet zouden kunnen bereiken. Niet winstmaximalisatie telt, maar de gedeelde doelstelling. Zo voelen leveranciers, gebruikers of werknemers zich veel nauwer betrokken.

Vijf jaar geleden leken die principiële voordelen ook de cultuursector erg te boeien, met prille plannen bij bijvoorbeeld het kunstencentrum Vrijstaat O in Oostende, de sociaal-artistieke Unie der Zorgelozen in Kortrijk en de kunsteducatieve organisatie ABC in Brussel om een deel van hun werking om te vormen tot een coöperatie. Maar allemaal zijn ze uiteindelijk bij licht verschillende constructies uitgekomen, vooral omdat het altijd zoeken blijft naar wat voor structureel gesubsidieerde kunstenorganisaties precies het verhandelbare product kan zijn waarrond je zo’n nieuwe structuur kan uitbouwen. Succesvolle nieuwe coöperaties vind je vandaag dan ook veeleer in de mediasector, zoals nieuwssite Apache.

Coöperatie is een werkwoord

Maar dat wil niet zeggen dat coöperaties in de cultuursector een verdronken kalf hoeven te zijn. Veel logischer zou het zijn dat individuele cultuurproducenten (in plaats van bemiddelende organisaties) zich aan elkaar klinken in een coöperatieve: hun verhandelbare product is hun creativiteit zelf, belichaamd door hun concrete producten en prestaties. Zeker in een sector die zo top-down functioneert als de kunsten, is het juist in hun eigen belang dat creatievelingen een en ander zelf in handen nemen. De redenen daartoe zijn legio: een verschralende projectsubsidiepot, uitbuiting door commerciële platenmaatschappijen, teruglopende inkomsten door toenemende onderlinge concurrentie… Zijn we niet allemaal te makkelijk mee gegaan in de neoliberale filosofie van John Galt: be the best, fuck the rest? Het zorgde veeleer voor versplintering dan voor economische vooruitgang en versterking. Als solo ondernemer lijk je vandaag een willoze prooi voor alle tussenpersonen die aan kunst en creatieve expressies verdienen, hoe goed je ook bij je ‘eigen verstand’ bent.

Daarom komt het initiatief van SMart om zich om te vormen tot een coöperatieve als logisch én geroepen. Groot blijkt de nood aan verbinding, kennisdeling en één gezamenlijke stem, zo leren de aanbevelingen van de leden aan de oprichters van de coöperatieve. Het komt er nu op aan om die democratische en participatieve meerwaarde van een coöperatie goed te vertalen en structureel te verankeren. Het loutere bestaan van een coöperatie garandeert immers niet – zo lijkt pakweg Sabam aan te tonen – dat dit gedeelde eigenaarschap ook een reële praktijk wordt. Een coöperatie gaat niet alleen om dienstverlening en samen economische voordelen bedingen, maar eerst en vooral om horizontale inspraak, betrokken medebeheer en gedeelde verantwoordelijkheid. Coöperatie is een werkwoord, meer dan een juridisch statuut.

Misschien vraagt dat van SMart ook wel een meer politieke instelling: flexwerkers verenigen om rond hun gedeelde besognes en belangen meer politieke slagkracht te creëren. Dat is van vele grote coöperaties niet alleen de historische bijdrage geweest, het is vandaag ook des te meer nodig: rond waarden als solidariteit een tegenmacht vormen tegen (de laatste benen van?) het neoliberalisme. Dat is het tijdperk dat vandaag lijkt aan te breken, en waarin SMart mee het verschil kan maken. Die nieuwe principes zelf in de praktijk brengen in je structuur is al een heel aardig begin!

N.B.

Wouter Hillaert is freelance cultuurjournalist en kernredacteur van rekto:verso, tijdschrift voor cultuur en kritiek.

Nombre de visites:

Een bericht, een commentaar?

Wie ben je ? Zich aansluiten
Je bericht
Trefwoorden :

Voor alinea’s te maken, laat je gewoon enkele lijnen blanco.

Een document toevoegen