SMart BE
directe toegang tot de inhoud directe toegang tot de navigatie

Naar aanleiding van haar overstap naar een coöperatieve vennootschap, vroeg SMart me om ons standpunt tegenover de coöperatieve beweging toe te lichten. Het project van SMart is best interessant, en wordt door haar slogan goed samengevat: “Jullie creëren, wij beheren”.

Ik merk meteen al op, ondanks enige terughoudendheid mijnentwege, dat het project minstens drie liberale principes in de praktijk zet: de vrijheid om al dan niet aan te sluiten, de verdeling van taken en de flexibiliteit van werk.

Zoals iedereen wel weet, is de keuze voor een artistiek beroep een heroïsche keuze. Om niet te zeggen een masochistische. In het verleden associeerde men deze keuze met een vorm van rebellie tegen de sociale orde en een weigering om zich in te schrijven binnen deze (gevestigde) kaders. Vandaag de dag worden kunstenaars niet meer gestigmatiseerd om religieuze of morele redenen. Maar, dat kunstenaars niet willen meedraaien in de logica van het maandelijkse salaris of het serene statuut van ambtenaar, dat zorgt toch voor wat wantrouwen bij mensen. Luister maar eens naar het liedje van Brassens (Les Philistins), dat de ontreddering weergeeft van bourgeois ouders die dromen van een grote toekomst als notaris (!) voor hun kroost, en die uiteindelijk dit vers aanvatten:

“Ongewenste kinderen
die behaarde dichters worden”

Kunstenaar worden, is een moeilijke keuze om diverse redenen : als kunstenaar beoefen je vaak onregelmatige activiteiten. Vaak zijn kunstenaars geïsoleerde werkers, die door de band genomen niet warmlopen voor administratieve procedures of commerciële denkpistes. Hij kan niet rekenen op een erg ontwikkelde sociale zekerheid en, aangezien hij geen loontrekkende is, wordt hij ook niet vertegenwoordigd door de vakbond.

De onmiskenbare voordelen van de coöperatieve structuur

Zoals onderzoekster Maud Grégoire haarfijn uitlegt in haar artikel over het collectieve ondernemerschap, biedt het een kunstenaar heel wat voordelen om zich te verenigen met andere kunstenaars binnen eenzelfde juridische entiteit. Naast die voordelen valt simpelweg niet te zien. Kunstenaars kunnen aldus hun individuele activiteit uitoefenen binnen een collectief kader. Dat levert hen allereerst stevige besparingen op voor de aankoop van materiaal, de huur van studio’s, galerijen en expositiezalen, de terbeschikkingstelling van materiaal, het delen van documentatiebronnen etc.

Deze coöperatie vergemakkelijkt ook het leven van kunstenaars, die een deel van hun administratieve taken kunnen overlaten aan de coöperatie en zo op hun twee oren kunnen slapen wat betreft hun administratie, hun financiële en juridische situatie. Deze tegemoetkoming beantwoordt in zekere zin aan het fameuze principe dat Adam Smith ontwikkelt in de eerste pagina’s van “La Richesse des Nations” : de verdeling van taken. Met als resultaat: aanzienlijk meer efficiëntie. In dit geval kan de kunstenaar zich helemaal wijden aan wat hij het best kan: dingen creëren.

De kunstenaar kan aldus genieten van het statuut van loontrekkende en van alle voordelen die daaraan verbonden zijn. Hij wordt dan wel vergoed naar zijn werk, maar aangezien hij factureert aan de coöperatie, kan deze ervoor zorgen dat de inkomsten die de kunstenaar gegenereerd heeft, als regelmatig loon gestort worden. Dit uiteraard op voorwaarde dat de coöperatie erin slaagt om een heel groot aantal kunstenaars bij elkaar te brengen en de middelen te ‘mutualiseren’. Het loon wordt op die manier veilig gesteld. Trouwens, er zijn nog andere voordelen : de kunstenaar geniet een grotere legitimiteit als hij toekomstige klanten benadert, doordat hij deel uitmaakt van een grote juridische entiteit.

Merken we ook op dat deze werkvorm hem uit zijn isolement haalt en ontmoetingen mogelijk maakt met heel wat andere kunstenaars, net zoals dat in een bedrijf gebeurt onder collega’s. Naast een verrijking op menselijk vlak, betekent deze synergie ook een economisch voordeel, want kunstenaars kunnen klanten onder elkaar verdelen als ze te veel werk hebben, diensten door en voor elkaar laten uitvoeren, contacten en informatie delen etc. De krachtenbundeling leidt er ook toe dat complementaire kunstenaars zich gaan verenigen voor tijdelijke of meer langdurige projecten.

Ik voeg hieraan toe dat coöperaties, wat ook hun actiedomein is, over het algemeen beter in staat zijn om economische crisissen door te maken, omwille net van de solidariteit tussen hun leden. Het ziet er ook naar uit dat deze entiteiten door de band genomen een langere levensduur hebben dan klassieke ondernemingen.

Tot zover de voordelen. Deze vorm heeft echter ook een keerzijde, zoals elke juridische vorm.

Knelpunten en nadelen van het nieuwe kader

Eerst en vooral, en wat men ook beweert, uiteindelijk verliest de kunstenaar een klein deeltje van zijn onafhankelijkheid. Dat is onvermijdelijk. Je kan niet én onafhankelijkheid én zekerheid nastreven. De coöperatieve identiteit is gebouwd op zeven principes. Eén daarvan verheft de democratische controle van leden op de coöperatie tot regel. Voor gezamenlijke beslissingen moeten leden zich neerleggen bij de wet van de meerderheid. Kunstenaars die werken in een coöperatie genieten uiteraard meer vrijheid dan loontrekkende kunstenaars. Ze kunnen nog altijd weigeren om met die of die klant samen te werken. Ze zijn ook baas over hun eigen tijdbesteding. Nochtans zijn ze veel minder ‘vrij’ dan hun zelfstandige collega-kunstenaars.

Laten we echter niet vergeten dat het loonstelsel op zich ook heel sterk is geëvolueerd. De huidige federale regering is dit stelsel trouwens grondig aan het hervormen en flexibiliseren, zodat werk en privé beter op elkaar kunnen afgestemd worden. De hervorming die de regering plant om onze arbeidstijd te berekenen op jaarbasis, gaat loontrekkenden de mogelijkheid geven om hun werktijden zo in te delen dat ze niet meer gebonden zijn aan vaste uren.

Om terug te komen op de nadelen van de coöperatie, moet je weten dat leden – volgens een ander principe – economisch deelnemen in het kapitaal van de coöperatie. Minstens een deel van dit kapitaal is eigendom van de coöperatie en mag niet herverdeeld worden over de leden (of slechts in beperkte mate). Stel dat een van de geassocieerde kunstenaars aanzienlijk wat succes kent met zijn creaties, dankzij zijn talent (of welke reden dan ook), en dus ook financieel veel winst boekt. Naast de belastingen (vrij hoog in België) die hierop worden geheven, zal een deel van deze inkomsten logischerwijs toekomen aan de coöperatie. Als we abstractie maken van de waarden van solidariteit en de betrokkenheid van de kunstenaar bij zijn coöperatie, dan wordt het ineens economisch niet zo interessant en weinig rendabel om in de coöperatie te blijven. Tenzij ik me vergis, is dat dan ook de reden waarom (bijna) geen enkele kunstenaar die bevestiging heeft gekregen voor zijn werk, deel uitmaakt of blijft uitmaken van een coöperatie.

Zich aansluiten bij een coöperatie, is in dit opzicht niet enkel een keuze voor zekerheid maar ook voor een zekere soberheid. In de bewoordingen van Maud Grégoire : “In activiteiten- of beroepscoöperaties (…) zijn diegenen die meer uit hun activiteit halen dan een minimumloon in de minderheid, ondanks hun vrij hoge diploma”.

Omwille van het democratische karakter van de besluitvorming, is het noodzakelijk om duidelijke regels af te spreken die een antwoord geven op vragen zoals : is er iemand die de standpunten probeert te verzoenen en die bij onenigheid de knopen doorhakt, of geldt hier enkel de wet van de meerderheid ? Wat zal het statuut zijn van de mensen die zich bezighouden met de administratieve, fiscale, juridische, … vragen van de anderen ? Zijn zij evengoed coöperant of worden ze werknemers van de coöperatie ? Hoe ingaan tegen het fenomeen van de “free rider”, namelijk mensen die profiteren van de collectieve middelen zonder iets (of weinig) in de plaats te geven ?

Deze problemen worden alleen maar groter naarmate ook de coöperatie groeit. In bepaalde opzichten doet dit trouwens denken aan de eerste mutualiteiten en coöperaties van de 19e eeuw. Deze “ondernemingen van wederzijdse hulp”, aanvankelijk bestaande uit enkele werkkrachten die gezamenlijk geld bijeenbrachten, liggen aan de grondslag van heel ons systeem van sociale zekerheid. Maar in die tijd had men snel in de gaten wie misbruik maakte van de solidariteit (wie zogezegd ziek was, niets anders deed dan lanterfanten en treuzelen etc.). De vennoten onderhielden immers nauwe banden met elkaar en iedereen hield een oogje in het zeil. Toen alle kassen en mutualiteiten gefusioneerd werden in een unieke structuur beheerd door de staat, werd de controle op fraudeurs een heel pak moeilijker want de procedures werden onpersoonlijker door automatisering. Dat is in feite een probleem eigen aan elke coöperatie die groeit.

Om haar efficiëntie te bewaren, denk ik dat een coöperatie van kunstenaars relatief soepel moet blijven wat betreft haar werking en relatief neutraal op het gebied van waarden.

Soepel wat betreft haar werking wil zeggen : leden laten komen en gaan wanneer ze dat willen. Dat is trouwens het doel zelf van het eerste coöperatieve principe. Dat houdt ook in dat bepaalde vaste medewerkers de bevoegdheid krijgen om moeilijke kwesties zelf snel op te lossen, in plaats van te wachten totdat alles volgens de wet van de integrale democratie geregeld wordt. In deze veronderstelling riskeren ellenlange debatten à la “Nuit Debout” de werking van de coöperatie lam te leggen. Zonder het nog maar te hebben over de conflicten die, als men niet oppast, de werksfeer onherroepelijk kunnen bederven.

Enfin, volgens mij moet een coöperatie zich niet als dusdanig mengen met de politiek. Als ze haar efficiëntie wil behouden, moet ze de activiteiten van haar leden zo goed mogelijk beheren om rijkdom te creëren, en niet meer dan dat. Wat ik nu zeg, choqueert misschien maar moet ook goed begrepen worden in de juiste context. Het is evident dat artiesten die zich herenigen, ideeën, waarden en strijdpunten hebben die hun dierbaar zijn. Ze zijn natuurlijk vrij om deze met elkaar te delen, daarover in discussie te treden en kunstwerken te creëren die politieke boodschappen uitdragen. Het is hun volste recht om militant te zijn van een partij naar keuze en dit om de zaken die hen aanbelangen. Als zij samen een of andere beweging willen opstarten, wie zijn wij om hen tegen te houden ?

Economische duurzaamheid van de coöperatie boven alles

Maar, deze militante activiteiten moeten duidelijk gescheiden worden van de activiteiten binnen de coöperatie, die een economische cel moet blijven. De financiële leefbaarheid van de coöperatie is een van de prioriteiten. Uiteraard is dit niet de enige of voornaamste doelstelling van haar leden. Het gaat nu eenmaal om een bijzondere vorm van bedrijf, waar leden solidair zijn met elkaar, waar ze vormingen en opleiding kunnen volgen etc. De coöperatie mag/moet haar specifieke karakter behouden.

Nochtans mag de coöperatie als dusdanig niet ingezet worden voor politieke doeleinden. De onderneming is nu eenmaal geen politiek instrument. Haar finaliteit is winst, maar zoals Adam Smith al benadrukte, genereert zij talrijke dingen met een positieve sociale weerslag. In een bekend fragment van La richesse des nations, schrijft hij (over de ondernemer):

“Wanneer hij louter zijn eigen belang najaagt, werkt hij vaak op een efficiëntere manier en ten voordele van de maatschappij dan dat eigenlijk zijn bedoeling was. Ik heb nooit meegemaakt dat iemand die binnen zijn commercieel bedrijf werkte voor het algemeen belang, veel goede dingen heeft verwezenlijkt”.

Ik voeg hieraan het volgende toe : het gevaar is dat de doelstelling en de sociaal positieve weerslag met elkaar verward worden. Als men de winst laat vervangen door de sociaal positieve impact, of als men de winst ondergeschikt maakt aan de sociaal positieve impact, dan houdt men uiteindelijk geen van beide over.
Het is uiteraard aan de leden om op een democratische manier te beslissen wat er met het gegenereerde geld gebeurt. Maar het is volgens mij niet wenselijk dat het nastreven van sociale, politieke, milieuvriendelijke doelstellingen de economische doelstelling in het gedrang brengt en het voortbestaan van de coöperatie bedreigt.
Men beweert vaak dat de coöperatie een “alternatief” is voor het kapitalisme. En dat kapitalisme wordt dan, o ja, beladen met alle kwalen uit het verleden, het heden en de toekomst van onze planeet.
Het is hier niet de plaats om te discussiëren over de merites en mislukkingen van het kapitalisme. Met alle respect voor andermans meningen denk ik dat deze analyse geen steek houdt. De coöperatie mag volgens mij niet gezien worden als een alternatief voor het huidige economische systeem, maar als een andere beheersvorm van een bedrijf, een vorm die al bestaat sinds het begin van het kapitalisme (en zelfs daarvoor al) en die integraal deel uitmaakt van ons systeem. De coöperatie is een type entiteit dat haar plaats vindt in het economisch ecosysteem. Ze laat mensen toe om zich te organiseren, te werken en te leven volgens bepaalde waarden.
Dit gezegd zijnde, de coöperatie kent vandaag een heropleving met ook de opkomst van de collaboratieve economie. Michel Bauwens heeft veel geschreven over wat hij de “sociale ondernemers” noemt. Deze auteur bestrijdt uiteraard het kapitalisme maar zegt tegelijkertijd dat ondernemingen gericht op het “collectieve” als doel hebben om middelen te vergaren om autonoom te worden en onafhankelijk van subsidies, zoals ngo’s, of inkomsten van derden. Op die manier kunnen ze in een volgend stadium sociale doelstellingen naar keuze nastreven.

N.B.

Corentin de Salle is licenciaat in de rechten en doctor in de filosofie. Momenteel werkt hij als wetenschappelijk directeur voor het Centrum Jean Gol, het studiebureau van de liberale partij MR. Hij heeft verschillende werken over het liberalisme op zijn naam. Daarnaast geeft hij les in de rechten, filosofie en ethiek aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes Commerciales en de ULB in Brussel.

Nombre de visites:

Een bericht, een commentaar?

Wie ben je ? Zich aansluiten
Je bericht
Trefwoorden :

Voor alinea’s te maken, laat je gewoon enkele lijnen blanco.

Een document toevoegen